Baron Karl Drais bedacht een zogeheten loopfiets. Deze bestond uit een houten frame en wielen met een ijzeren velg.
Voorts bezat hij een zeer primitief zadel, een primitief stuur en een soort rem op het achterwiel. De loopfiets had geen trappers; men bewoog zich voort door zich af te zetten.
Hoewel de berijder van de draisine de voeten op de grond hield, was toch heel wat balanceerkunst nodig.
Dit werd vervelend gevonden, en decennialang werden dus drie- en vierwielers gebouwd. Ze werden aangedreven met een trapplank.
Pas in 1865 ontstond een toestel dat op de fiets leek. Het was een tweewieler, gebouwd door de Fransman Michaux.
Zijn vélocipède (snelle voet, van Latijn: velox, snel en pes, voet) had een ijzeren frame en ijzeren wielen.